Begroting 2017 - 2020
PCPortal

 Indicatoren

Realisatie 2015

Doel
2016

2017

2018

2019

2020

Vergroten van het veiligheidsgevoel van de Nijmeegse burger

 -

1.1     % dat zich vaak of soms onveilig voelt in de woonbuurt, voor de wijken waar de gemeente samen met andere partners extra inspanningen verricht op het gebied van veiligheid

23 %

<25 %

<25 %

 -

1.2     % dat zich vaak of soms onveilig voelt in de woonbuurt, voor heel Nijmegen

16,5 %

<18 %

<18 %

Reductie van het aantal incidenten

 -

2.1    Aantal aangiften woninginbraak (pogingen)

141

<250

287

287

287

287

 -

2.2    Aantal aangiften woninginbraak (geslaagde inbraken)

537

<737

<737

<737

<737

<737

 -

2.3    Aantal aangiften auto-inbraak

1318

<1451

<1451

<1451

<1451

<1451

 -

2.4    % dat in de woonbuurt vaak overlast van jongeren ervaart, voor de wijken waar de gemeente samen met andere partners extra inspanningen verricht op het gebied van veiligheid)

19 %

<25 %

<25 %

 -

2.5    % dat in de woonbuurt vaak overlast van jongeren ervaart, voor heel Nijmegen

12 %

<13 %

<13 %

 -

2.6    Recidivepercentage voor zwaarste casussen in Veiligheidshuis (top-150)

-

-

-

-

-

-

 -

2.7    Aantal meldingen bij de Brandweer

1485

<1560

<1560

<1560

<1560

<1560

Toelichting
Vanaf het begrotingsjaar 2015 werken we in het programma Veiligheid met nieuwe indicatoren. Die zijn najaar 2013 in de auditcommissie van de Raad besproken. De indicatoren zijn gekoppeld aan twee hoofddoelstellingen en per indicator werken we met streefcijfers. Indien daar aanleiding toe is, kunnen die streefcijfers worden aangepast.

De indicatoren sluiten aan bij de gewenste maatschappelijke opbrengst: een stad waarin burgers zich in hun woon- en werkomgeving en op straat veilig voelen. In zoverre relevant wordt in dit hoofdstuk per indicator ook geduid wat de betreffende indicator zegt over de grip die gemeente en veiligheidspartners hebben op doelgroepen die een groot aandeel hebben in criminaliteit of ernstige overlast. Daarbij past overigens de notie dat er nooit één-op-één een relatie valt te leggen tussen gemeentelijke inspanningen en cijfermatige resultaten. Daarvoor zijn de factoren die inwerken op criminaliteit en overlast te complex.

1.1 en 1.2 Bron: Nijmeegse Burgerpeiling
Door de tijdreeks voor onveiligheidsgevoelens in alle wijken af te zetten tegen die voor de gevoelens van onveiligheid in de wijken waar extra inspanningen op het gebied van veiligheid plaatsvinden, geeft dat een beter zicht op wat we daarmee bereiken.

De burgerpeiling vindt een keer in de twee jaar plaats. Het laatste peiljaar was 2015. In de aandachtsgebieden voelde zich op dat moment 23% in de woonbuurt vaak of soms onveilig. In het peiljaar 2013 was dat 25% in 2013 en in peiljaar 2011 nog 26%. We zien dus dat de onveiligheidsgevoelens afnemen. Voor heel Nijmegen is deze trend gelijk. Peiljaar 2015: 16,5% voelt zich in de woonbuurt vaak of soms onveilig (was 18% in 2013 en 19% in 2011).

2.1 en 2.2  Bron: politieregistratie
Woninginbraak behoort tot de delicten waarvan bekend is dat een relatief groot deel door veelplegers wordt gepleegd. Daarom is deze indicator ook een aanwijzing voor de mate waarin de gemeente en haar partners grip hebben op deze groep. Onderscheid tussen pogingen en geslaagde inbraken is van belang. Inspanningen gericht op meer inbraakpreventie kunnen zich vertalen in een andere verhouding tussen het aantal pogingen en geslaagde inbraken.

In 2015 is het aantal woninginbraken gedaald naar 678 (537 geslaagde inbraken en 141 pogingen). De afgelopen jaren zien we een gestaag dalende trend. Bedroeg het totaal geregistreerde aantal (geslaagde inbraken en pogingen daartoe) in 2013 nog op 1335, in 2014 zakte dit naar 837 (600 geslaagde inbraken, naast 237 pogingen).

Kijkend naar de trend op langere termijn kwam Nijmegen in 2015 uit op 4,0 woninginbraken per 1000 inwoners (het gaat hier om zowel pogingen als geslaagde inbraken). In 2014 was dat nog 5,0 woninginbraken per 1000 inwoners, de laagste score over een periode van 10 jaar. Het hoogste niveau scoorde Nijmegen in 2012 met 8,8 woninginbraken per 1000 inwoners. Het gemiddelde in de periode 2004-2014 ligt op 7,0 woninginbraken per 1000 inwoners. Gemiddelde voor de afgelopen 5 jaar: 6,8 woninginbraken per 1.000 inwoners. In 2014 lag dat gemiddelde over een periode van 5 jaar nog op 7,2.

Het cijfer voor 2015 is dus buitengewoon gunstig, overigens niet alleen ten opzichte van de lange-termijntrend, maar ook ten opzichte van de steden waarmee Nijmegen gebenchmarkt wordt (Arnhem, Eindhoven, Enschede, Groningen, Leiden, Maastricht en Tilburg). Voor de benchmarksteden samen (dus inclusief Nijmegen) lag het gemiddelde aantal woninginbraken per 1000 inwoners in 2015 op 4,8. Het Nijmeegse cijfer van 4,0 steekt hier dus gunstig tegen af.

De streefwaarde voor de komende jaren is minder dan 6 woninginbraken per 1000 inwoners. Deze is bepaald aan de hand van de woninginbraakcijfers voor Nijmegen en de benchmarksteden in de afgelopen jaren.

2.3  Bron: politieregistratie
Auto-inbraak behoort eveneens tot de delicten waarvan bekend is dat een relatief groot deel door veelplegers wordt gepleegd. Daarom is ook deze indicator een aanwijzing voor de mate waarin de gemeente en haar partners grip hebben op deze groep.

Bij dit type delict zien we in 2015 een stijging ten opzichte van 2014, ofschoon we nog wel onder de vastgelegde doelstelling presteren. Waren er in 2014 nog 1164 geregistreerde zaken, steeg het totaal in 2015 naar 1318. Kijken we naar de middellange termijn, dan fluctueert het cijfer behoorlijk: in 2011 een totaal aantal van 1673, waarna een stevige daling in 2012 (1367), vervolgens weer een significante stijging in 2013 (1726), daarop weer een sterke daling in 2014 (1164) en nu weer een stijging.

In de landelijke benchmark scoorde Nijmegen in 2015 7,7 auto-inbraken per 1000 inwoners. De gemiddelde score van de benchmarksteden in 2015 was 6,3 auto-inbraken per 1000 inwoners. Het gemiddelde voor Nijmegen in de afgelopen 5 jaar ligt op 8,8 auto-inbraken per 1.000 inwoners.

De streefwaarde voor de komende jaren is minder dan 8,5 auto-inbraken per 1000 inwoners. Deze is bepaald aan de hand van de auto-inbraakcijfers voor Nijmegen en de benchmarksteden in de afgelopen jaren.

2.4  Bron: Nijmeegse Burgerpeiling
Overlast van (groepen) jongeren is één van de meest genoemde redenen voor onveiligheidsgevoelens in de woonbuurt. In 2015 waren de meest genoemde redenen voor de onveiligheidsgevoelens: mensen in de buurt die men vanwege hun gedrag niet vertrouwt (door 10% genoemd), groepen jongeren op straat (7%), donkere/slecht verlichte plaatsen (7%), drugsdealers/drugsverslaafden (6%), stille/afgelegen plaatsen (5%) en de criminaliteit in de buurt (4%). In 2011 was jongerenoverlast nog de meest genoemde reden voor onveiligheidsgevoelens.

In 2015 is jongerenoverlast iets minder vaak genoemd als één van de belangrijkste buurtproblemen (door 5% van de Nijmegenaren tegenover 6% in 2013 en 2011) en minder vaak genoemd als één van de belangrijkste stadsproblemen (door 2% van de Nijmegenaren in 2013 en 2015 tegenover 5% in 2011). Voor de hele stad Nijmegen zien we dat het aantal geregistreerde gevallen van jeugdoverlast en vernieling (vaak ook een gevolg van jeugdoverlast) in 2015 ook daadwerkelijk lager was dan in de voorgaande jaren. Jeugdoverlast: 1090 geregistreerde gevallen in het jaar 2015 tegenover gemiddeld 1229 per jaar in de periode 2012-2015. Vernieling: 940 geregistreerde gevallen in 2015 tegenover gemiddeld 1080 per jaar gedurende de jaren 2012-2015.

De gebieden waar extra inspanningen op het gebied van veiligheid plaatsvinden (de aandachtsgebieden), zijn ook gebieden waar relatief veel jongerenoverlast speelt. En de inspanningen daar zijn dan ook onder meer gericht op het terugdringen van die jongerenoverlast. Het percentage bewoners hier dat in de woonbuurt vaak overlast van jongeren ervaart ligt al sinds 2011 stabiel op 19%. De hierboven genoemde aanwijzingen voor een generiek afnemende jeugdoverlast zien we dus nog niet terug in de cijfers over de ervaren jeugdoverlast in de aandachtsgebieden.

2.5  Bron: Nijmeegse Burgerpeiling.
Door de tijdreeks voor ervaren jeugdoverlast in alle wijken af te zetten tegen die voor de ervaren jeugdoverlast in de wijken waar extra inspanningen op het gebied van veiligheid plaatsvinden, geeft dat een beter zicht op wat we met die extra inspanningen bereiken. Een andere reden om deze indicator op te nemen is dat niet alle inspanningen gericht op jeugdoverlast gebiedsgebonden zijn. Denk hierbij aan de aanpak van risicojongeren en jeugdgroepen via het Veiligheidshuis.

In heel Nijmegen ervoer in 2015 12% in de woonbuurt vaak overlast van jongeren. In het peiljaar 2013 was dat eveneens 12%. In het peiljaar 2011 was dat nog 13%.

2.6  Bron: registratie Veiligheidshuis
Deze gegevens zijn nog lastig  leverbaar, omdat het landelijk registratiesysteem waarmee in het Veiligheidshuis wordt gewerkt geen recidive-informatie genereert.  Bovendien is recidivemeting maar een onderdeel van de mogelijke meerwaarde van het Veiligheidshuis bij complexe casuïstiek.

Daarom hebben we ervoor gekozen om een rendementsanalyse te laten uitvoeren om een indicatie te krijgen over de efficiëntie van het Veiligheidshuis. De resultaten hiervan zijn begin 2016 opgeleverd en laten zien dat het Veiligheidshuis een effectief en kostengunstig instrument is, doordat het complexe casussen oplost door een gecoördineerde aanpak. De (extra) kosten van coördinatie bedragen ongeveer 1,5 % van de trajectkosten. Een succesvol traject kan een doorlooptijd van 2-4 jaar hebben, afhankelijk van de complexiteit, c.q. hardnekkigheid van de casus. Als casussen succesvol zijn afgesloten worden forse maatschappelijke vervolgkosten voorkomen (circa € 350.000 per casus). In succesvolle casussen zorgt € 1,- aan inzet door het Veiligheidshuis voor een besparing van € 70,- aan vervolgkosten. Ook bij niet-succesvolle casuïstiek blijkt dat het Veiligheidshuis voor besparing zorgt. Door afschaling van trajecten die niet werken staat tegenover € 1,- aan inzet door het Veiligheidshuis een besparing van € 67,- aan niet-succesvolle interventies. Behalve kosteneffectiviteit wordt er ook anderszins rendement behaald. Bij 9 van de 11 onderzochte casussen leidde de coördinatie vanuit het Veiligheidshuis tot aanzienlijke verbetering, en in 7 casussen zelfs tot het stoppen van recidive.

Met de Stadsbegroting 2018-2021 willen we indicator 2.6 dan ook aanpassen. Om de twee jaar willen we dan een rendementsanalyse uitvoeren en de opbrengst daarvan vertalen in een indicator voor kosteneffectiviteit en een indicator voor het maatschappelijke rendement van het Veiligheidshuis.

2.7  Bron: registratie Veiligheidsregio Gelderland-Zuid
Aandacht voor brandpreventie en voor het terugdringen van valse meldingen zou moeten leiden tot minder brandmeldingen. Met het aantal meldingen bij de brandweer scoren we al sinds het begin van dit decennium gunstig ten opzichte van de doelstelling. Daarom hebben we vorig jaar de ambitie aangepast naar een lager streefcijfer: <1560 in plaats van <1816.